Een steen in de vijver van de Ger. Gem.

'Een steen in de vijver van de Gereformeerde Gemeenten'

door onze redacteur Reina Wiskerke

Het is een heel dik boek geworden, en een flinke steen in de vijver van de Gereformeerde Gemeenten - de zoveelste intussen. Dr. K. van der Zwaag houdt in Afwachten of verwachten? (uitg. Groen, Heerenveen, prijs 30 euro) de prediking en geloofshouding onder bevindelijk-gereformeerden tegen het licht.

Orthodoxe reformatorische kerken hebben de afgelopen eeuw specifieke opvattingen over genade, verbond en verkiezing ontwikkeld. Spreken over de vastheid van het verbond en de troost van Gods beloften is verdacht geworden. Vele kerkgangers zijn onzeker over hun eeuwig behoud. Als het aan Van der Zwaag ligt, zouden bevindelijk-gereformeerden zich moeten willen laten corrigeren door hun eigen traditie. Bestudering van hun reformatorische en puriteinse wortels kan ,,de crisis in de bevindelijk-gereformeerde prediking'' bezweren.

Van der Zwaag heeft een gevoelig onderwerp aangesneden. Het gaat om een geestelijk geschil waar zijn eigen werkgever, het Reformatorisch Dagblad, niet voor niets omzichtig mee omgaat. Er is vast moed voor nodig geweest om tot publicatie van het boekwerk over te gaan.

Met name in de Gereformeerde Gemeenten, waartoe Van der Zwaag zelf behoort, is een geestelijke strijd gaande. Een kerkelijke onderstroom en de gevestigde orde staan tegenover elkaar.

Vers in het geheugen liggen nog de boeken van prof. dr. ir. J. Blaauwendraad, gepubliceerd in 1997 en 2000, toen hij nog lid van de Gereformeerde Gemeenten was. Blaauwendraad betoogde dat de leer van zijn gemeenten over verbond en uitverkiezing afwijkt van de eenvoudige leer van de Reformatie. Vooral de standenprediking moest het ontgelden. In die prediking wordt ervan uitgegaan dat de kerkganger verschillende stadia moet doormaken voordat hij zich kind van God mag noemen. Tegenover reformatorische geloofszekerheid komt zo lijdelijk afwachten te staan, aldus Blaauwendraad, die onder de tucht is gezet en hervormd is geworden.

Een ander signaal van interne spanning zijn de 'reformatorische jongerenavonden', die nu al een paar jaar worden georganiseerd. De initiatiefnemers menen dat jongeren in kleine reformatorische kerken, onder andere de Gereformeerde Gemeenten, op veel geloofsvragen, vooral over de toe-eigening van het heil, geen helder antwoord krijgen. Ze nodigen sprekers uit die ,,de Christus in het Evangelie onvoorwaardelijk aanbieden''.

De leiding in de Gereformeerde Gemeente ziet de avonden als een aanval om jongeren weg te trekken bij de rechte prediking. Ze vreest dat jongeren te snel naar Christus worden geleid. Er moet volgens de eigen leer eerst 'plaatsmakend' werk zijn: confrontatie met Gods wet, en de onmacht om die te houden.

In dit getij kwam eerder deze maand een boek uit van ds. H.J. Hegger, die regelmatig spreekt op genoemde jongerenavonden. De hervormde emeritus-predikant springt in Vader, ik klaag u aan op de bres voor bezoekers van de jongerenavonden. Hij verwijt kerkelijke leidslieden, onder anderen ds. A. Moerkerken van de Gereformeerde Gemeenten, dat ze hun standpunten niet willen laten corrigeren door mensen die vanuit de Heilige Schrift daarop kritiek hebben.

Ds. C. Harinck, predikant in de Gereformeerde Gemeenten, heeft in 2001 aan de bel getrokken in De toeleidende weg tot Christus. Harinck levert, met de woorden van Van der Zwaag, ,,niet mis te verstane kritiek op de standenleer van Moerkerken, zonder overigens diens naam te noemen''.

Van der Zwaag geeft in meer dan duizend pagina's een overzicht van de discussies zoals die rond Blaauwendraad en de jongerenavonden. Hij steekt heel diep af en probeert niet de toon van een strijder aan te slaan. Hij schrijft dat hij ook geen waardeoordeel uitspreekt over de recente kerkgeschiedenis. Toch blijkt duidelijk waar zijn hart ligt: bij de krachtige en ruimhartige prediking uit de tijd van de Reformatie. Hij vindt die ook terug bij Engelse en Schotse predikers. ,,De beperking van de ruime nodiging van het Evangelie zien we pas in de achttiende eeuw en daarna opkomen.''

Spoor bijster
De toe-eigening van het heil is een ingewikkeld thema. Het gaat om theologische probleemstellingen, zoals die over de verhouding tussen verkiezing en verbond. Een gewone gelovige raakt al snel het spoor bijster.

Gereformeerden belijden dat God de zijnen kiest, en dat heeft steeds weer vragen opgeroepen. Hoe verhoudt die verkiezing zich tot de verantwoordelijkheid van de mens? En kun je dan in een preek nog wel het heil aanbieden aan iedereen? Tegen deze achtergrond is het hypercalvinisme ontstaan, schetst Van der Zwaag. God kan zijn genade niet aanbieden aan mensen waarvan Hij weet dat ze niet uitverkoren zijn, was de redenering. In die gedachtegang kan vanaf de kansel niks worden beloofd aan kerkgangers, tenzij die eerst de kentekenen van de verkiezing en de werking van de Geest in zich waarnemen. In theologische termen: het hypercalvinisme wijst het ,,welmenend aanbod van de genade'' af. Hypercalvinistische predikers roepen niet op tot geloof omdat de mens niet kan geloven. Daarbij is het ,,bijbelse evenwicht tussen het geloof als plicht en gave verbroken''. Dat evenwicht vindt Van der Zwaag nog wel bij de oudvaders (leidslieden uit de 17e en 18e eeuw). Zonder tekort te doen aan het genadekarakter van het geloof, hebben de oudvaders een sterk appèl gedaan op de wil, het verstand en het hart van de mens opdat deze zou komen tot geloofsovergave aan Christus. Zij durfden nog gewoon aan te dringen op een geloofskeuze. ,,Terwijl de oude schrijvers in naam gehuldigd worden als de grondleggers van de eigen traditie, is de bereidheid tot onderzoek en corrigeren van de eigen standpunten door deze schrijvers gering'', stelt Van der Zwaag, die aan de Vrije Universiteit theologie en filosofie heeft gestudeerd.

Wie de spanning tussen de soevereiniteit van God en de verantwoordelijkheid van de mens ontkent, komt onvermijdelijk terecht bij het arminianisme of het hypercalvinisme, aldus Van der Zwaag. Arminianen houden alleen de verantwoordelijkheid van de mens over. Het hypercalvinisme ,,ontkent de verantwoordelijkheid en houdt alleen de soevereiniteit van God over''. Beide stromingen ,,maken zich schuldig aan onverbloemd rationalisme''.

Innerlijke vroomheid
Van der Zwaag merkt op dat de Afscheiding van 1834 een belangrijk moment is geweest in de Nederlandse kerkgeschiedenis. De Afscheiding heeft niet alleen geleid tot een scheuring in de vaderlandse kerk (die nu de Nederlandse Hervormde Kerk heet), maar ook tot verdeeldheid rond de aard en reikwijdte van de verkondiging van het evangelie. De twist over 'het aanbod van de genade' werkte vooral door onder de afgescheidenen, waaruit verschillende kleine gereformeerde kerkverbanden zijn ontstaan. Een beweging die innerlijke vroomheid en reformatie nastreefde, verzandde in onderlinge verdeeldheid.

Een deel van de afgescheidenen vormde in 1907 de Gereformeerde Gemeenten. Karakteristiek voor dit kerkverband zijn de leeruitspraken van 1931. Vastgelegd werd dat God zijn verbond alleen met uitverkorenen heeft opgericht. Het genadeverbond kwam zogezegd onder de beheersing van de uitverkiezing te staan. Een algemene oproep tot geloof in Christus wordt dan problematisch. Als kerkgangers houvast willen hebben aan Gods beloften moet er eerst iets in hun leven plaatsvinden. Representant van deze gedachtegang is dominee G.H. Kersten. Volgens Van der Zwaag bracht hij de leer van de Gereformeerde Gemeenten soms geforceerd in harmonie met de leer van de 'oude schrijvers', met name van de Engelsen en Schotten.

In 1953 scheurde de Gereformeerde Gemeenten, waardoor naast de hoofdstroom het kleinere kerkverband van de 'Gereformeerde Gemeenten in Nederland' ontstond. Van der Zwaag stelt vast dat tussen beide kerken desondanks een duidelijke overeenstemming in de leer valt te constateren. Ondanks accentverschillen is hun visie op verbond, belofte en doop volgens hem identiek.

Van der Zwaag spreekt van ,,de tragiek van de bevindelijk-gereformeerde traditie''. ,,Terwijl in grote delen van de kerken van de Reformatie bevinding en persoonlijk doorleefd geloof vergeten hoofdstukken zijn geworden en de toe-eigening des heils een zaak van automatisme is geworden (...), is er bij de zogeheten bevindelijk-gereformeerden een omgekeerde beweging te zien: Bevindelijk-gereformeerden zeggen juist van zichzelf in toenemende mate de bevinding en het persoonlijke geloof te missen''. Velen zijn onzeker over hun eeuwig behoud en vinden geen troost. ,,Er speelt zich een grote worsteling bij hen af. Wanneer we blijvend spreken van bevindelijk-gereformeerden zonder dat de (echte) bevinding aanwezig is, rijst de vraag of nog wel van deze term gesproken kan worden.''

Van der Zwaag pleit voor zelfonderzoek in reformatorische kring. Het zou voor reformatorische kerken goed zijn als ze de interne spanning onder ogen zien. ,,Wie alleen maar aan de overgeleverde termen en de eigen kerkelijke traditie vasthoudt zonder deze (kritisch) aan Schrift en belijdenis te toetsen, zal menselijkerwijs gesproken alleen maar het 'kerkelijk bedrijf' gaande houden. Een terugkoppeling naar Schrift en belijdenis en naar de wortels van de Reformatie, Nadere Reformatie en het puritanisme is meer dan ooit gewenst. Dat we hiervan tekenen opmerken bij de jonge(re) generatie stemt tot blijdschap en geeft hoop voor de toekomst.''

Bron: Nederlands Dagblad

Activiteitenkalender

Webshop

De kosten en de kracht van opwekking
Het verhaal van Gladys Aylward
Het verhaal van William Booth
Ben je een goed iemand?

Nieuws

Op de hoogte blijven van HeartCry?
Schrijf u nu in voor onze nieuwsbrief.