Wij zijn bedelaars, dat is waar.

Er wordt wel beweerd dat dit de laatste woorden van Luther zijn. Om precies te zijn; het zijn waarschijnlijk zijn laatst geschreven woorden, twee dagen voor zijn sterven. Waarschijnlijk, want het briefje waarop dit citaat stond is verdwenen. De opmerking van Luther dat we bedelaars zijn, wordt regelmatig aangehaald om aan te duiden hoe het geloofsleven bij de grote Hervormer gekenmerkt bleef door een diepgaand zondebesef. Ik zou daar twee kanttekeningen bij willen plaatsen.

In de eerste plaats heeft Luther bij zijn sterven een duidelijk getuigenis afgelegd, iets wat minder vaak aangehaald wordt. Zo citeerde hij op zijn sterfbed tot drie keer toe de bekende woorden uit Psalm 31 vers 6: In Uw hand beveel ik mijn geest; U hebt mij verlost, HEERE, getrouwe God! Tenslotte dankte hij God voor de openbaring van Christus en bad nogmaals of God zijn geest tot Zich wilde nemen. (zie http://www.luther.de/jlt.html) Uiteraard staat dit niet in contrast met zijn laatst geschreven woorden. Maar het laat wel zien, dat Luther wist dat hij een verloste zondaar was. Dat hij om die verlossing niet meer hoefde te bedelen, maar God daar eeuwig groot voor mocht gaan maken!

De tweede kanttekening gaat als een correctie op dit veel aangehaalde citaat een stuk verder. Zoals gezegd wordt het vaak aangehaald als een bewijs van zondebesef bij Luther. Maar was dat werkelijk waarover Luther schreef? De korte zinnetjes - Wij zijn bedelaars. Dat is waar. - vormen het slot van een groter citaat. Het volledige citaat luidt:

'Vergilius in zijn herdersgedichten kan niemand begrijpen als hij niet eerst vijf jaar herder is geweest, Vergilius in zijn gedichten over het leven op het land kan niemand begrijpen als hij niet vijf jaar boer is geweest; Cicero in zijn brieven begrijpt niemand werkelijk als hij niet vijfentwintig jaar in de politiek heeft gezeten; de Heilige Schrift zal niemand werkelijk genoeg geproefd hebben als hij niet honderd jaar met profeten als Elia en Elisa, met Johannes de Doper, Christus en de Apostelen de gemeente heeft bestuurd. Waag je niet aan deze goddelijke Aeneïs, maar buig je aanbiddend over zijn sporen. Wij zijn bedelaars. Dat is waar.'

Er bestaat geen toelichting op dit citaat dus wat Luther hier precies mee bedoelde is onduidelijk. Maar in ieder geval is wel duidelijk, dat Luther het 'bedelen' niet soteriologisch maar veeleer hermeneutisch opvatte. Eenvoudig gezegd gaat het in dit citaat niet om het afhankelijk zijn van Gods genade tot behoud of zaligheid, maar om de afhankelijkheid van Gods hulp en verlichting om de Bijbel te verstaan. De betekenis van 'het blijvend zondebesef' wordt dus ten onrechte aan deze woorden gegeven.

Bron: Laurens Heijboer

Activiteitenkalender

Webshop

Nederigheid
Het verhaal van Gladys Aylward
Ja maar
Het verhaal van William Booth

Nieuws

Op de hoogte blijven van HeartCry?
Schrijf u nu in voor onze nieuwsbrief.