Is ons Calvinisme wel Calvijns?

We stonden vorig jaar bij het imposante Reformatie monument aan de rand van het oude Genève. Bij het zien van de reuzenbeelden van Calvijn, Béza en andere grootheden uit die tijd en later, kon ik mijn tranen niet bedwingen. Ik was niet zozeer onder de indruk van deze ‘eikenbomen der gerechtigheid’, maar van de grote genade van God dat ik met hun evangelieboodschap in aanraking ben gekomen. Ik zag Gods leiding in mijn leven dat de leer van Sola Gratia, van de rechtvaardiging uit genade om niet, door Zijn Geest mijn ziel diep heeft geraakt. Wat een verwondering als we zien op het werk van Christus, op Zijn toegerekende gerechtigheid en verdienste, en dat voor goddelozen, die dit niet hebben gezocht!

Dezer dagen moest ik opnieuw denken aan ons bezoek aan de stad van de reformator. Het gedenkjaar van Calvijns geboorte brengt vele pennen in beweging. Hoeveel studies over hem zijn de laatste tijd niet van de pers gekomen? Hoeveel Calvijnkenners hebben nieuwe ontdekkingen gedaan en die aan het papier toevertrouwd? Indrukwekkend in deze tijd van nivellering en waarden en doctrines! Het prikkelt ons om ‘Ad Fontes’, naar de bronnen, af te dalen. Onder het magistrum van Calvijns oeuvre schittert nog steeds zijn Institutie die ook de eenvoudige lezer kan bekoren en innemen. Nog meer herinneringen kwamen bij mij boven. Hoe ik als kantoorklerk van 17 lentes met twintig gulden bijeengespaard zakgeld naar Van den Tol aan de Breestraat in Dordt stapte om de driedelige uitgave van de Institutie aan te schaffen. Wat heb ik er vooral toen veel in gelezen! Wat ging een wereld voor me open! Vooral vragen over de toeëigening van het heil, over de rechtvaardiging en de zekerheid van het geloof werden daarin voor mij beantwoord.

De vraag die mij in dit gedenkjaar bezig houdt is: Is ons Calvinisme, als we dit voorstaan, wel zo identiek aan Calvijns gedachtegoed? Een intrigerende vraag die ik ook mijzelf stel. Is het juist wat professor E. Doumerque, die ons een imposante biografie over hem heeft nagelaten, opmerkt: ‘Er zijn minstens twee soorten Calvinisme: het Calvinisme van Calvijn en het Calvinisme dat nà hem gekomen is.’ Deze stelling kan moeilijk in een korte reflectie worden uitgewerkt, maar geeft mij wel stof tot nadenken. Ik vraag me namelijk af of in onze tijd de accenten van zijn geloofsleer nog wel zo springlevend zijn. Eerlijk gezegd mis ik deze over het algemeen in ons kerkelijke leven. Het klinkt wat subjectief en misschien wat belerend, maar het lijkt me wel nuttig om onszelf, persoonlijk, de spiegel voor te houden of de Sola’s van Calvijn, die we zo bevrijdend in zijn geschriften terugvinden, in ons leven nog wel functioneren. Om dit wat te verduidelijken en concreet te maken: Kennen wij het geloof dat ons rechtvaardigt voor de hoge God? Zijn wij door het geloof verzekerd van onze positie in Christus en leven we op alle terreinen van ons leven uit de gestorven en opgestane Christus? Vindt ons aangevochten geloof rust in het volbrachte werk van onze Heiland en is het onze vreugde om te weten wat wij in Christus hebben? Dit is toch wel een belangrijke vraag die wij ons bij alle festiviteiten rondom het gedenken van Calvijns geboorte wel mogen stellen. Of is het zicht hierop door alle ‘ballast’ die wij rondom dit gebeuren op ons af laten komen hierdoor verduisterd?

Bij het schrijven van deze reflectie ligt het boek van H.J. Couvéé uit de jaren dertig van de vorige eeuw voor me: Calvijn en Calvinisme, een studie over Calvijn en ons geestelijk en kerkelijk leven. Als ik diens conclusies lees is er in zijn tijd en ook daarvoor een grote kloof tussen wat Calvijn leerde en hen die pretendeerden in Calvijns voetstappen te gaan. Zo kom ik een citaat tegen van professor D. Chantepie de la Saussaye dat er niet om liegt: ‘Men acht het geloof gebonden aan de onvolmaakte dogmatiek van de hervormers en deze wordt niet in haar levend bezielend karakter bestudeerd, maar zoals zij zich in de overgeleverde theologie heeft gekristalliseerd. Hoe velen zijn er niet b.v, die, ja de vijf Dordtse punten zeer goed kennen, immers wier ganse levensbeschouwing daardoor is beheerst, doch van de adem des levens, die alle Calvijns geschriften doorwaait geen Ahnung hebben’ (p 29). Dat is nogal wat! Heeft deze kritiek niet voor een groot deel te maken met een andere visie op de heilszekerheid dan Calvijn voorstond? Vormt bij hem deze zekerheid niet ‘de grondslag is van het Christendom’ (Couvee, p 48). Wanneer het bijbelse spreken over geloofszekerheid wordt afgevlakt en verlaagd tot een niet verzekerd geloof, heeft dit niet alleen invloed op het persoonlijke leven maar ook op het getuigenis van de kerk naar de wereld. We maken ons ongeloofwaardig als de zekerheid van genade en van het eeuwige leven onze boodschap niet doorademt. Alleen een kerk die zich kenmerkt door geloofskracht en –zekerheid is in staat om de confrontatie aan te gaan met de machten in de wereld die het christendom aanvallen.

Het getuigend gelovig spreken over God en Zijn Koninkrijk is een opvallende trek van Calvijns geschriften. Het mooiste document waarin dit zelfgetuigenis zo tot uitdrukking komt vind ik de brief van Calvijn aan kardinaal Sadolet. Hierin spreekt een geredde zondaar die zeker is van zijn zaligheid uit genade. Een zondaar die eerst alleszins godsdienstig was, maar door Gods Geest op de puinhopen van zijn eigen leven is gebracht. Het is een belijdenis van diep doorleefde vroomheid, een relaas van het buigen voor God en geloven in de gerechtigheid van Christus. Hier volgt een citaat dat de hervormer helemaal tekent:

Ten eerste, laten wij de mens aanvangen met de zelfkennis. Niet lichtvaardig of oppervlakkig echter; maar hij moet zijn geweten voor Gods rechterstoel brengen, en wanneer hij dan overtuigd is van zijn zondige toestand, zal hij ook de strengheid bedenken van het vonnis, dat over alle zondaren geveld is. Zo valt hij, vernietigd en verslagen over zijn ellende, ootmoedig voor God neer, laat alle zelfvertrouwen varen, en spreekt zijn ganse verlorenheid uit. Dan wijzen wij hem op de enige grond des behouds: de barmhartigheid Gods, zoals zij ons in Christus is geopenbaard, want alles, wat tot ons heil dient, is in Hem vervuld. Dewijl dan alle sterfelijke mensen voor God als zondaren veroordeeld liggen, noemen wij Christus onze enige Gerechtigheid; met Zijn gehoorzaamheid heeft Hij onze overtredingen uitgedelgd, door Zijn offerande Gods toorn verzoend, met Zijn bloed onze smetten uitgewist, door Zijn kruis onze vloek opgeheven, door Zijn dood voor ons genoeg gedaan. Zo voltrekt zich volgens onze lering, de verzoening des mensen met God; niet door enige verdienste, niet door de waarde onzer werken, doch alleen door vrije genade. Dewijl wij echter Christus in het geloof omhelzen en in gemeenschap met Hem treden, noemen wij dat naar de wijze der Schrift: rechtvaardiging door het geloof.

Hier spreekt iemand die weet heeft van een doorleefde vroomheid, van de realiteit van zonde en genade. De actualiteit hiervan is niet achterhaald maar nog springlevend. We raden een ieder aan om dit bevrijdende getuigenis op zich in te laten werken en te toetsen aan ons eigen godsdienstig bezig zijn. Komt ons calvinisme met deze belijdenis van de grote reformator overeen? Of doen wij niet anders dan Calvijn adoreren en door onze eigen bril bezien? Wat heeft Calvijn ons bij de herdenking van zijn geboortejaar werkelijk te zeggen? Is ons Calvinisme wel Calvijns?

Artikel in Protestants Nederland, november 2009

L.J. van Valen, Dordrecht

Bron: Protestants Nederland

Activiteitenkalender

Webshop

Waarom staat God lijden toe?
De noodzaak voor verandering
De werker in Gods wijngaard
De redding van ons gezin

Nieuws

Op de hoogte blijven van HeartCry?
Schrijf u nu in voor onze nieuwsbrief.